147
die vreemde dingen —, tot hij ineens een verruimend besluit nam en, zijn trek overwinnend, de lokkend-uitziende schotel voorbijgaan liet. Hij bracht tot tweemaal toe een heesch ,,nee, dankje” uit, vóórdat de knecht hem verstond en verder ging. Wantrouwig loerde hij den man in het gezicht, had er spot, om wat hij wel moest begrepen hebben, in zijn oogen geflikkerd? —, dan keek hij schichtig rond, naar de aarrwezenden, nu bediende Aart zich, in het geheel niet bijzonder zorgvuldig of correct, bijna liet hij een schijfje tomaat, bekleed met een gladde, witte saus, op het tafelkleed vallen —, niemand keek er naar of vond het erg, Aart ook niet, hij zei vluchtig glimlachend iets tegen den knecht, die ook even glimlachte en een en ander op zijn bord lei, hij had er maar halve aandacht voor, verlangend het gesprek met zijn buurman voort te zetten. Als hij zelf eens bijna gemorst had, dacht Ben, hij zou van zijn stoel zijn gevallen van schrik. Nu aten ze, en hij loerde verstolen, hoe ze aten, en het water kwam in den mond, en de oude dame naast hem vroeg allervriendelijkst: ,,Houdt u werkelijk niet van hors-d’-oeuvre?”, en hij moest een benepen „nee, mevrouw” te voorschijn brengen, en kreeg den indruk, dat ze hem niet geloofde en dat hij zich belachelijk maakte, en vreesde ineens dat het weigeren van een allereerst gerecht misschien een onwellevendheid was, De eene gedachte van dien aard na de andere overviel hem, als werden er emmers water, beurtelings heet en koud, over hem