146
niet hier hoorde in hun midden. Zooals hij op het feest van verleden week een vaag visioen had gehad van Aart en zijn familie, hem daar gadeslaande —, zoo had hij nu ineens eenzelfde visioen: alle vroolijke, argeloos-genietende feestgangers van dien verstreken avond en zijn eigen gezin erbij, sloegen hem gade, zooals hij hier was aangezeten en in hun oogen lag benijding, ja, maar ook spot! Was die spot niet evenzeer in de oogen van die naast en tegenover hem zaten, omdat ze hem allen zijn benauwde onbeholpenheid aanzagen? Angstig keek hij naar de kleurige hors-d’oeuvre-schotels, niet wetend wat hij zoomet-een kiezen zou, wat eetbaar was en v/at alleen tot versiering bij droeg, en of hij veel of weinig behoorde te nemen —, en hij verfoeide zichzelf, omdat hij bleek werd en zich geheel en al van streek voelde, nu de knecht met de schotel bij hem kwam, en dat om zulk een nietig, armzalig ding! Als hij met Aart en zijn vriend en zijn neef alleen had gegeten, hij had zonder schroom zijn onbedrevenheid erkend, zich door hen laten inlichten en helpen, in het besef dat zij die dingen immers evenzeer gering rekenden als hijzelf —, voor een onbeduidend jong meisje, dat hem niet aanging, voor een oude dame, die hij niet kende, en die niets dan beminnelijke domheden uitkraamde, ja meest misschien voor den dienenden knecht, trilde hij van angst, omdat hij vreesde een onhandigheid te begaan met die vreemde zilveren voorwerpen bij het zich bedienen, of bij het eten van