145
zijn buitenstaan; dan opnieuw zich weer schamend om zijn schaamte, nu kon hij zijn ziel ongerept, ongeknoeid bewaren en toch geacht zijn —, en opgewekt, geestdriftig, onbevangen bleef hij deelnemen aan het gesprek totdat ze aan tafel gingen.
Toen was het weer uit. Angstig keek hij om zich heen, niet wetend, wat te doen; niet wagend het meisje dat dicht bij hem stond, hem van terzij aankeek, daarna bloosde, eindelijk zich afwendde, zijn arm te bieden, tot een der anderen het deed —, en de glinstering en pracht van de tafel — mevrouw had hem toch van een huiselijk dineetje gesproken — die hij in de eetkamer zag aangericht, boezemde hem ineens opnieuw het gehate ontzagsgevoel in. Toch weer, toch dadelijk, na zijn gevoelens van zooeven! En terwijl de anderen, vroolijk lachend, zich schikkend, het aanzitten aan zulk een tafel blijkbaar gewend, zonder eenige zorg of aandacht voor hun houding, immers door geoefendheid daarvan volkomen zeker, hunne plaatsen innamen, voelde hij zich als verstijfd van verlegenheid en angst. De tweelingen zaten niet aan tafel, ze waren uit, op een verjaarpartij bij een van hun klasgenooten, hij was tusschen de oude dame en een der jonge meisjes geplaatst. Thans zat hij op zijn stoel, onzeker, in een benauwd besef, dat hij aan alle kanten kwetsbaar en weerloos was —, dat elk gesprek, elke vraag zijn zielige onbeholpenheid, ongewendheid, onevenredigheid bloot zou leggen, omdat hij niets met die anderen gemeen had,
10