143
onwaar en voos —, maar plotseling bedacht hij; was dit onnoozel ontzag voor zijn onnoozele, onbeteeke-nende versjes, die ze niet eens kenden, voor den naam „dichter” die hem nog niet toekwam —, eigenlijk alleen voor het uiterlijk vertoon: de fluweelen jas, de losse das —, was het minder gegrond dan zijn ontzag voor hun bezit en hun klinkende namen? Zonderling, hij had geen bezit en geen mooien naam, hij had niets van dat, 't welk de grondslag was van hun trots, waar zij groot op gingen, maar omdat er iets „interessants” aan hem was, voelde zij nu weer hetzelfde heimelijk gevoel voor hem, dat hij heimelijk voor hen voelde —, hoe schimmig en onwerkelijk was dat alles —, hoe zwak stond op dwaze wanen en ongegronde gevoelens de menschenmaatschappij, het menschen-samenleven gebouwd. Nu hij dit bedacht, voelde hij zich rustig, zijn eigen schuld was het toch ook niet dat hij aan een klein, ontluikend talent —, tot dusver de zuivere vreugde van zijn eenzame uren, bijkans willens de hand sloeg om er maatschappelijk voordeel uit te halen —, maar van allen, die hem anders vernederden en verstooten zouden en op hem neerzien.
Hij wilde er niet te veel aan denken, liever luisteren naar de gesprekken, eraan deelnemen als het kon. Maar de jonge meisjes spraken over tennis-matches voor het volgend seizoen en bals in het loopende, de heer des huizes liet zijn oudsten zoon iets lezen in een krant en samen spraken ze daar even over door, de dame naast mevrouw Van Erp hield een gesprek