142
werd voorgesteld —, op hun gezichten, in hun oogen, bemerkte hij geen spot, alleen belangstelling- Terwijl hij nu zitten ging, met een verruimd gevoel, hoorde hij een dame aan de vrouw des huizes fluisterend vragen: „Een schilder?” —, en hij bloosde gloeiend, vond zichzelf ineens weer belachelijk, alsof hij zich had getooid met wat hem niet toekwam, om een onwaren indruk van zichzelf te geven. Gespannen luisterde hij, wat mevrouw Van Erp antwoorden zou, hij hoorde haar zeggen:
„Neen, maar een jongen van heel veel talent —, een dichtertje in den dop.”
Aart had het dus toch gezegd van zijn verzen, en hij keek er hem op aan, hij had hem immers geheimhouding gevraagd, omdat hem dat een gebruikelijke en waardige houding toeleek —, maar was hij eigenlijk wel ooit op die geheimhouding gesteld geweest? Hij had volstrekt geen overmatige gedachten van zijn versjes, al wist nu ook meester Becker ervan, al had hij er ook op diens raad een paar naar een tijdschrift-redactie gezonden —, en nu hij zag, dat mevrouw Van Erp’s mededeeling in den kring der bezoekers rond-gefluisterd was, dat de drie jonge meisjes in lichte kleeren met fraai-gekapte hoof dj es heimelijk belangstellend naar hem keken —-, werd het hem benauwd te moede, als zat hij hier voor bedrieger ea matigde zich aan wat hem niet toekwam, Hun gevoel was ongegrond hij was niet „interessant’" — hij mocht zich dat niet laten aanlennen —, he was allemaal even