140
gen en lieten hem trekken, en zijn ,,mesjoggenen” gang gaan.
Ze wisten niet, wat Ben in vernieuwde weifeling overdacht, toen hij al buiten liep —, hoe hij lang had geaarzeld tusschen dit bruin-fluweelen jasje over een los hemd en een slappe das, en het ,,nette” pak uit een Amsterdamsche confectie-winkel, met het schoone „halfhemdje” en oom Jozefs das. Mevrouw Van Erp zei dat het hem „interessant” maakte, het fluweelen jasje en het losse, lage boord, dat het zijn matte kleur, het „mooie, zwarte hoofd” zoo voordeelig deed uitkomen. „Het mooie, zwarte hoofd” —, ze had het precies zóó gezegd —, en wist niet, gelukkig niet, dat hij het eenmaal bloedig en kaal had gedragen onder de favus-kap, hijzelf kon er nog niet zonder een diepe huivering van afschuw aan terugdenken —, en toen tante Rebecca verleden jaar, hem over het hoofd strijkende, gezegd had dat de volle groei van zijn mooi, glanzend haar bewees dat zij indertijd gelijk had gehad, dat het alleen „gezonde klieren” waren geweest, had hij bijna gehuild van woede en afkeer, omdat ze hem aan dien ellendigen tijd herinnerde.
Toch had hij zich niet zonder aarzeling in het „interessante” pak gestoken, bang dat het tegen de regels zou zijn, bang dat ze hem uitlachen zouden —, maar eindelijk had hij er toch toe besloten, in een plotselingen afkeer tegen zijn „nette” kleeren, die hij zichzelf al zoo stumperig vond staan.
Het was tamelijk laat ,toen hij het huis, feestelijk-