137
begreep niet wat het meisje wilde, wat ze bedoelde, waartoe ze hem te lokken zocht.
En toen waren de violen gesfemd —, en de dans was begonnen, de wandelmarsch eerst, aangevoerd door een klein zwart mannetje, dat met doordringende stem aanwijzingen schreeuwde, de dom-ver-legen lachende paartjes half-ruggelings, zwaaiend met de armen voorafgaand als een bewaarschooljuffrouw haar klas. Loom schuifelden de ongeoefende, onzekere, ongelijktijdig zich bewegende voeten over de stroeve houten planken en weer zag hij dat meisje naar zich kijken, aan den arm van Meijer Leefsma ging ze, in onverholen tegenzin zoo ver mogelijk van hem af —, en haar wangen waren nu vlammend-rood gekleurd, ze wierp hem een half-boozen, half-verlokkenden blik toe. Wat beduidde dat toch —, had hij zich afgevraagd — en opnieuw was hem die vreemde gloed prikkelend over de huid getogen, voelde hij zich onbehaaglijk en behaagd tegelijkertijd, aangetrokken en afgestooten. Na den dans was Bekkie bij hem gekomen, trotsch, verhit, haar cavalier, den verlegen Sam, aan den arm met zich voerende, en had hem haastig, een zonderlingen meerderheidstoon in haar stem, toegefluisterd dat hij dadelijk Juutje ten dam vragen moest, eer dat anderen hem vóór waren. Zag hij dan niet, dat ze kennis wilde maken, hoe kon hij toch zoo lomp zijn —, hij wilde tegenstreven, hooghartig weigeren, maar als toevallig kwam het meisje zelf nu zijn kant uit, de hooge blos was weer weg van