136
Want het bevreemdende, het beklemmend-verbijste-rende van dien avond was pas gekomen, nadat de eettafels waren weggeruimd en elkeen rustte van het zware nachtelijke maal, voordat er gedanst zou worden. Hij had stil leunend tegen den muur, vergeten, naar zijn zusjes zitten kijken, Bekkie en het kleine Saartje, die haar in alles nadeed, zooals ze met haar vriendinnetjes tusschen de jongens stonden, hun oude kameraadjes van het Joodsche school, Elie, dien ze kenden uit de lintjeswinkel, Maup, die op Vrijdagmiddag voor drie stuivers zuur bij ze thuis bracht, roode Sam, uit het galanterie-,,magazijn” — en heel genadig en gewichtig hun hard-rose balboekjes lieten invullen, waarin de namen der dansen met fouten stonden gespeld —, hij had zich tusschen afkeer en vervreemding aan den eenen kant, zelfverwijt en fierheid aan den anderen, geslingerd gevoeld —, meer en meer verstrooid, al verder in zichzelf teruggeweken, tot zijn aandacht eindelijk werd getrokken door het aanhoudend voorbij hem gaan van datzelfde meisje met haar gele japon, haar hoog kapsel en fel-schitte-rende oogen —, en hij opkeek en zijn blik die oogen ontmoette, die hem ineens een vreemden gloed aanjoegen, en hij zag, dat zij ook bloosde in het verder gaan. Onbewust had haar zijn blik gevolgd —, ze had zich omgewend en het gezien en weer hadden ze beiden gebloosd en ze had even gelachen. De vreemde gloed door zijn bloed, een siddering in zijn leden bleef, hij voelde zich beklemd en onbehaaglijk, hij