135
tot ft welk de vreedzame uren in meester Beckers tuintje hem bezield hadden en die hij niemand, zelfs den meester niet, had laten lezen, mooier waren dan zijn eigen uitheemsche poëzie. Hij drong er op aan, dat Ben die op een der avonden van de leterkundige club zou voordragen —, en toen hij bitter en fier verklaarde, dat hij niet goed genoeg was geacht om van dat gezelschap deel uit te maken, had Aart dadelijk Berthold van Herwerden opgezocht, hem heftig verweten, dat hij geen „artist” was, dat een artist geen vooroordeelen had — en Berdiold. die óók begonnen was met het beoefenen van de dichtkunst en wel aan een treurspel in verzen, had zich verlegen gevoeld en tegen Aart gezegd, dat Ben dan wel mocht komen, als uitzondering, in hun uitgelezen club.
Maar Ben had niet meer gewild — inwendig jubelend van vreugde dat hij dit den trotschen Berthold kon aandoen —, uiterlijk niets verradend dan een kalme fierheid, die hem in Aart’s waardeering deed stijgen. En of Aart nu dit aan zijn vader en aan Carel, zijn oudsten broer, had verteld, hun houding was óók veranderd, ze waren nog wel niet vriendelijk, maar hij las toch niet meer die spottende verdachtmaking in hun oogen, als in het begin.
En vandaag zou hij er voor ’t eerst gaan eten. Het was Zondagmiddag, maar hij had nog allen tijd. Nog allen tijd om zijn gedachten opnieuw te laten teruggaan naar het feest en naar wat er voorgevallen was.