134
zoo vaak het karakter aannam van romantisch beklag en dweperige belangstelling voor het verdrukte kind uit het „interessante, oude volk” was hem niet eens altijd aangenaam —, want hij gevoelde, dat die hem in de oogen van den koelen vader en oudsten zoon belachelijk, misschien zelfs verdacht maakte. Die liepen hem trotsch en met een korten knik voorbij, als alle andere loontrekkenden, wanneer hij ze ontmoette, maar hij gaf ze de volle maat van hun terughoudendheid weerom. Ze zouden leeren, dat hij niet minder was dan zij beiden, nooit zouden ze iets weten, iets vermoeden van den ontzag-duizel, die toch altijd weer over hem heensloeg, als hij ze 's middags zag thuiskomen in hun auto, Elke hulp van mevrouw wees hij af, en de enkele maal, dat de tweelingen door ongesteldheid of afwezigheid verhinderd waren voor de les, stond hij erop, dat een gedeelte van zijn geld zou worden afgehouden. Een fiets, die ongebruikt stond, sinds Aart een nieuwe had, weigerde hij hardnekkig te nemen, schoon mevrouw er herhaaldelijk op aandrong, en hij er dolgraag een had willen hebben —, doch hij kon dat alles voor zijn gezin niet verzwijgen, tegelijk verlangend te toonen hoe hij daar werd behandeld en hoe „groot” hij zichzelf hield —, dat berouwde hem achteraf, omdat ze hem, zijn zusjes vooral, dwaas en overdreven vonden en niets van zijn beweegredenen begrepen,
Doch Aart was zijn vriend, Aart bewonderde hem, bekende oprecht dat het bundeïïje „Avond-zangen”