133
de salons, de muziekkamer, de rustige werkvertrekken van haar man en haar jongens, de leerkamer der tweelingen, Enny's kamer, die haar wachtte als ze van kostschool zou komen, had hij wel alles rijk en weelderig, maar niet meer zoo fabelachtig, zoo bijna geheimzinnig gevonden —, zij hadden eenvoudig ruimte en overvloed, ze hadden groote kamers, licht en lucht, de overdadige bevrediging van algemeen-menschelijke behoeften en wenschen —, maar meer niet, rijkdom was niet de mysterieuze geluksstaat, zooals hij het als kind had gewaand, het duistere bleef alleen, dat ze in hun gelukkig bezit aanleiding tot vaak mateloo-zen hoogmoed vonden.
Zoo had hij het toen gevoeld —, maar later had de ontzagsduizel hem toch weer overvallen —, als hij van feesten hoorde, toen hij voor 't eerst de nieuwe auto zag — en het ongelooflijk fijne kanten toiletje dat Enny naar haar school kreeg gezonden als verjaarsgeschenk. Al hield hij zich voor, dat hun bezit een zaak was, allerminst van persoonlijke glorie, maar van toeval en geluk, dat zijn vader en moeder evengoed rijkgeboren hadden kunnen wezen, het hielp niet —, hij kon het oud-Joodsche ontzag voor het bezit niet geheel en al uit zich verdelgen. Maar hij verborg het achter koelheid en stugheid —, hij vermeed ook angstvallig alles, wat maar den lichtsten schijn op hem kon laden, als wilde hij voordeel halen uit de toevallige bevlieging, welke de weekhartige vrouw des huizes voor hem had. Die voorkeur, welke