129
durend maar tegen Bekkie zitten groeten, ze kon ook niet meer zitten lachen, ze voelde haar mond zenuwachtig vertrokken, een leegte in haar hoofd —, 't huilen stond haar na —, omdat hij nog altijd niet naar haar omgekeken had.
Wat was er toch gebeurd? Dat feest, waarnaar ze hem hadden gedwongen mee te gaan, hem prikkelend met wat ze wisten dat hem altijd raakte: het pesterig zeggen dat hij zich voor zijn vaders vrienden en buren en geloofsgenooten te goed achtte en „geneerde” —, waarvan hij voelde, dat ze het niet meenden, alleen er mee aankwamen —, altijd weer, omdat ze wisten dat hij er niet tegen bestand was. Het bracht hem zoo in verwarring, hij kon er zich immers geen rekenschap van geven, of hij zich inderdaad „te goed” achtte, hij wist alleen dat geen sterke gevoelens van verwantschap of saamhoorigheid hem met deze zijn „geloofsgenooten” samenbrachten —, doch hoofdzakelijk de trotsche wil, om aan elkeen, aan zichzelf in de eerste plaats te toonen, dat zijn persoonlijkheid onaangetast bleef, wat ook zijn afkomst en omgeving mocht zijn, dat hij niet bukte voor de vooroordeelen van de rijken en voornamen, die hij als ongegrond en dwaas verworpen had, die zij zorgvuldig in stand hielden, als het eenige waaraan ze eigen grootheid ontleenden. Tegen zichzelf zette hij zich schrap —, van hem zou
9