127
openging, schoot haar een gloed door het lijf en haar hart stormde op —, maar als hij het dan weer niet was, werd ze kil en haar hoofd liep leeg. Als ze nu maar kwamen —, Bekkie had toch gezegd —, Bekkie was er zelf ook nog niet —, ze had haar witte zijden handschoenen van één-vij f-en-twintig gegeven, de goedkoopere waren óók goed geweest, maar Bekkie had in deze zoo'n zin gehad —, al-met-al, een „aardig dure dag” zou tante Esther zeggen —, en juist was ze even afgeleid in de berekening van wat het „al-met-al” wel had gekost —, toen de deur openging en hij binnenkwam —f na nog één fel spannend oogen-blik, want pas achter zijn vader en moeder, achter Bekkie, zijn oom Jozef en kleine Saartje, die óók meegenomen was. En tante Esther moest wel even fel als zijzelf —, maar met hoe andere bedoelingen, wist ze! — naar de deur hebben zitten loeren, ze keek nu tenminste onmiddellijk om en zag daardoor juist, dat ze een kleur kreeg, 't Deed er niet toe — wat tante zag en wat ze fluisterde tegen oom, die er blijkbaar nu niet van wou hooren, achter zijn hand grapjes maakte tegen dikken Joël, die tante zeker weer niet mocht weten —, 't deed er allemaal niet toe —, hij was daar, Ben, de lieve jongen, de eenige „heer”, de eenige, dien zij hebben wou —, en heerlijk, ze was rijk en ze zou hem hebben —, en als haar vader wat tegen het boekenstalletje van zijn vader had —, dan moest hij hem maar een winkel geven, zooals die van oom David, of wat koeien —, hij had