126
af. Nu er niét gediend zou worden, elkeen vrijelijk nemen mocht, nu zouden de „gatteisim", de armoedzaaiers zonder stand of fatsoen, die ’t minst hadden bijgedragen —, het feest was voor elkeen, van hoog tot laag, van groot tot klein — het meeste krijgen, hun althans zou niemand voortdurend naar die tafel zien gaan —, menigeen nam zich al voor, niet zonder spijt, zijn gretigheid op te offeren aan zijn „kowed", zich schadeloos stellend met het smalen op de anderen, die zich te goed deden van hun geld! Zoo dachten en deden oom David en tante Esther en ze vermeden ook de al te groote aanhankelijkheid van Aardewerk en Joel, de voormalige mede-bestuurders, en wachtten met zenuwachtig kijken en rondtrippelen op de gelegenheid zich bij deftiger gezelschap aan te sluiten. [1?
Juutje bleef bij hen, met een strak gezichtje, door de jongens bewonderd, door de meisjes benijd, en uit nijd behoond, om haar glanzend zijden japonnetje, haar modern kapsel, haar zijden kousen, die ze als achteloos weg, een heel eind liet zien. Te midden van het rumoer, waarin de ceremonie-meesters elkaar en de beide bedienden, die met thee rondgingen, aanhoudend tegen het lijf liepen en deswege door de commissarissen-van-orde werden vermaand, wat felle standjes uitlokte, waarbij driftig werd gefluisterd en waarin zich de feestgenooten dadelijk mengden —, zat ze gespannen te kijken naar den uitgang, met droge keel en kille handen en telkens als de deur