125
Hij zou het verschil wel zien —, zou hij opmerken dat ze zijden kousen had?
„Een stapje harder, kind”, maande oom David, ,,de dames wachten daar al/’
In een open deur, die licht en muziek uitliet, en waarvoor straatjongens hadden postgevat, die luidkeels ieder aangekomene met een hartelijk „Moossie” en „Levie” en „Ezecheël” of met „Saartje” en „Racheltje” begroetten —, stonden tante Esther en haar gezellin, nog steeds onafgebroken pratend en daardoor vergeten dat ze wachtten, tot ze, haastig tusschen *t straatvolk door, alle vier naar binnen gingen.
Het lokaal — dat te klein bleek, schoon nog lang niet iedereen er was, oom David had het wel gezegd en hij haastte zich elkeen van zijn naaste bekenden eraan te herinneren, dat hij het wel had gezegd — en waar de ceremoniemeesters, een rood-papieren roos in 't knoopsgat, luid schreeuwend met wapperende jaspanden heen en weer vlogen om orde te scheppen —, zag er feestelijk als voor een bruiloft uit met veel sparregroen en festoenen en vlaggetjes, In den eenen hoek zat „de muziek” —, in den anderen stond een lange, witgedekte schragen-tafel met schalen taartjes en broodjes met zalm —, dat was zoo geregeld om bediening te besparen —en menigeen had zich al meester gemaakt van een broodje of een roomhoorn en liep in volle overgave te kauwen —, doch velen, de gegoeden, de gezetenen vooral, keurden die regeling