121
grootsch om vanavond te komen. Zou een pak van mijn hart zijn,"
„Kun je denken", ze wendde zich zoo driftig om op haar stoel, dat haar zijden rokken ruischten, „ze zullen het hem niet verteld hebben, zijn vader en zijn moeder —, ze hebben het niet al lang in de gaten —, ze schmeichelen Juutje niet op alle mogelijke manieren, ze sturen Bekkie niet op haar af —, wat moet ze met Bekkie, heeft ze aan ons geen aanspraak genoeg? — neen, ze zullen niet zorgen, dat hij er vanavond vooraan bij is, met zijn uitgestreken bleeke gezicht, Wat ze eraan ziet! Ik weet dan wel, als ik een jonge meid was —, geef mij dan Meijer Leefsma maar liever —, dat is een man, met een paar behoorlijke handen aan zijn lijf, een fiksche snor. ...”
Haar man wilde zwak-schertsend haar lofspraak op Meijer Leefsma stuiten, maar ze was niet tot plagerij gestemd,
„Misschien wil hij haar niet —, Ben bedoel ik", waagde hij, bedeesd en tam.
Weer een driftige schok en geruisch van de zijden rokken.
„Neen, hij wil haar niet —, hij wil haar niet —, een meisje, als Juutje en met tien duizend, misschien ja vijftien duizend gulden —, een mooi meisje, een rijk meisje,.... die wil hij niet hebben" en alsof die domme opmerking van haar man haar van elk verder gesprek deed afzien, en meteen tot de werkelijkheid teruggebracht, zei ze ineens: