120
slippen tusschen de vingers weggegleden waren. En zijn vrouw, door al de kinderen uit de kille „tante Esther* genoemd, zat er stil bij en zuchtte ook en vergat in haar innerlijke bedrangenis haar man met zijn dasje te helpen —, zooals hij vergat het haar te vragen,
„En begrijpen doe ik het niet —, begrijpen kan ik het niet” —, klaagde ze voor de zooveelste maal, „hoe een meisje dat tienduizend, misschien ja vijftien duizend gulden meekrijgt, zich komt te verlieven in een aap van een jongen van nog geen achttien jaar zonder een cent, een kale gattes, die een vader achter een boekenstal heeft staan/'
„En als ze niet beter terecht kon, als ze Heintje Aardewerk was", stemde Henderson in, met een ruk aan het dasje, „maar een jonge meid en een knappe meid en een meid met dik centen, bij haar trouwen en te wachten —, aan elke hand tien -- geen jongen hier in de kille of hij wil, dadelijk, zoowaar als ik 't leven heb, maar ik moest er bij haar vader mee aankomen —, Meijer Leefsma zou ja de eenige nog zijn,"
„Meijer Leefsma krijgt een prachtige zaak”, zuchtte tante Esther spijtig,
„Toch zal haar vader liever iemand hebben die verstand heeft van vee, die in zijn eigen zaak kan trouwen, zonder centen nesnoods, Ja, liever niet —, dat spreekt —, maar die aap met zijn Grieksch en zijn Latijnsch, die aap van achttien jaar, die voor ons allemaal zijn neus optrekt. Misschien ja is hij te