118
Weken te voren reeds had zich een commissie gevormd uit de jongelui van de „kille”, onder aanvoering van Meijer Leefsma, den zoon uit de koosjere restauratie, die vaak in Amsterdam kwam en dus op zijn duim wist hoe alles hoorde —, zijn vader zou het souper leveren en had al toegezegd dat hij „het wel goed maken zou”. Er waren voordrachten en samenspraken ingestudeerd, zelfs een gecostumeerde „Fransche” dans — één had er een dansmeester in de familie, en vertrouwde het met diens wenken en raadgevingen wel klaar te spelen — en massa’s feestartikelen, mutsen met klappers en liedjes, maar ook hééle fijne en moderne, waren ingeslagen. En het souper zou alles overtreffen, wat er tevoren in de kille op dat gebied was vertoond —, geen broodjes met pekelvleesch en hoogstens tong, met uitjes en augurkjes als op de ouderwetsche poeriembals, maar soep en aardappelen-met-biefstuk en mergtaart toe en fruit! Aardewerk was er niet over te spreken geweest, hij had vroeger de broodjes gebakken en de levering van het vleesch in commissie gehad —, wat moesten ze nu met hun „modern souper”? —, maar toen hij hoorde, dat hij toch de mergtaarten zou mogen leveren en dat er in den loop van den avond evengoed nog kleinere broodjes ook zouden gepresenteerd worden, had hij er vrede mee en begonnen hij en zijn vrouw zich zelfs in het geval te verheugen voor hun dochter Heintje, een hupsche meid, maar al achter in de dertig en die zichzelf niet ten onrechte bij een