117
Chanoeka-krans, een Poeriembal, waar alle Joodsche jongelui uit den omtrek verschenen — te verstoren met nieuwere gewoonten en een nieuweren geest —, maar toen er al meer kwamen en ze eindelijk de overhand kregen, hadden ze de oude gemeentenaren, alle vroegere bestuurders, op Henderson na, die „paraas” bleef, verdrongen, een gezeten Joodsche middenstand van meest neringdoenden vormend, die wel niet „vroom” was in den ouderwetschen zin, maar toch niet „vrij” ook. Het was de oude „kille” niet langer, klaagde Aardewerk tegen Moos Vischkooper, Ben’s vader —, ze mochten zichzelf voor „vroom" uitgeven, de nieuwelingen, hun vrouwen droegen geen bandeaux en naaiden geen doodskleeren, lieten dat en het reinigen der dooden en andere vrome werken aan betaalde vrouwen over —, de echte geest was er uit.
Doch het mopperen hield op, toen ze allen voelden, dat hun gemeente door de aanwinst der laatste jaren, in welstand niet alleen, maar ook in aanzien naar buiten gestegen was — wat hun toch ook allen in den omgang met de niet-Joden ten goede kwam —, en er heerschte trots en vreugde in de „kille” toen er eindelijk tot den bouw van een nieuwe Synagoge kon worden overgegaan. Die was begonnen en voltooid, De godsdienstige inwijding, waarvoor de opperrabbijn was overgekomen, die een prachtige predikatie had uitgesproken — was juist voorbij, en nu zou er daarenboven nog een feest aangericht worden, in een ruim en welgezien „lokaal”.