116
innige vriendschap te hebben gesloten met Bekkie —, hij had tenminste zoo iets begrepen van Zaterdag-middagwandelingen, van het vreemde meisje met zijn zusje, die door zijn ouders bijzonder schenen te worden aangemoedigd.
Het dorp had zich de laatste jaren sterk uitgebreid —, en ook de Joodsche gemeente was in zielental en welvaart toegenomen. Jarenlang was David Henderson, de goudsmid, de voornaamste in staat, de rijkste, tevens een der oudsten en door dat alles de aangewezen „parnas” geweest —, met hem hadden Joël, de slager, Aardewerk, de koosjere bakker, bijgestaan door enkele jongere leden den kerkeraad gevormd —, maar met de jaren was daar verandering in gekomen. Een Joodsche restauratiehouder had zich gevestigd, een Joodsche onderwijzer werd benoemd, die „vrij” was, maar toch lid van de Joodsche gemeente werd, zoo goed als Penha, de Joodsche tandarts en Couzijn, die een groote winkel in visch en zuur had geopend in de hoofdstraat, welke van de marktplaats naar de villa-wijken liep en nog veel andere, In het eerst waren die nieuwkomers mei wantrouwen nagekeken — zij dreigden de gemoedelijkheid der kleine, ouderwetsche „kille” waar elke winter zijn gezellige onderonsjes bracht — een