112
schaamd, innig geroerd door de moederlijke goedheid, den innemenden eenvoud van die voorname dame, Hoe anders dan de anderen was ze —, niets gevoelde hij tegenover haar van het benauwende, onredelijke ontzag dat rijkdom en hooge stand hem steeds inboezemden —, zij was immers precies als hij, scheen allerminst met haar rijkdom en haar hoogen stand vervuld als die anderen, ze praatte over boeken, over studie, benijdde hem zuchtend zijn klassieke opleiding, die haar was ontgaan, prees zijn degelijkheid tegenover de wuftheid der hedendaagsche jongelieden, die aan niets dan tennissen en dansen dachten, aan wie geen goed boek, geen nobel woord was besteed, Zij persoonlijk had geen klagen —, Carel was heel goed en degelijk, schoon wat koel, maar vooral Enny en Aart waren lieve kinderen, Enny mocht wat meer om kleeren geven dan zij deed in haar tijd —, ze was toch een kind, dat hart voor anderen en een echt gevoel voor poëzie en romantiek bezat. Van den zomer, dan kwam ze thuis, voor twee maanden —, ze was nu op een Engelsche kostschool —* en dan daarna ging ze nog een jaar naar Frankrijk, en dan zouden ze weer muziek maken in de muziekkamer of in den tuin en dan moest Ben ook komen!
Verrukt, vereerd, verbijsterd was Ben thuisgekomen — het hart vol van haar goedheid, haar minzaamheid —, thuis vond hij alleen Bekkie en den moed om iets van wat hem vervulde te uiten, ontzonk hem. Zij zou toch niet gelooven, dat zijn vreugde enkel was daar