111
met haar moederlijken glimlach en met een beroep op haar grijze haren, dat hij een heel mooi Joodje was, dat ze een bijzonder zwak had voor dat donkere, olijfbleeke, zwaarmoedige type, waartoe hij behoorde, dat Joden het interessantste ras van de wereld waren, geheimzinnig bijna door hun overoude afkomst, ze liet hem een portret zien van den Joodsch-Engelschen staatsman Disraeli, vertelde erbij hoe die groote man zich meer dan eens in het openbaar trotsch op zijn Joodsche afkomst had verklaard, toonde hem ook foto’s van haar eigen kinderen, Enny, haar dochter, zeventien jaar, nu op kostschool, Carel de oudste zoon, die naar zijn vader — ze zei het met een zucht — aardde, Aart, de tweede, haar evenbeeld, héél gevoelig, vol idealen en droomen, waarin ze haar eigen jeugd opnieuw beleefde —, en dan de tweelingen. Ze hoopte dat Ben niet te veel moeite met ze zou hebben, ze waren wel wat verwend tot dusver, en hun vader stond er nu op, dat ze eindelijk geregeld werken zouden en de klassen volgen —, het was niet heele-maal met haar wil —, zij dweepte niet met de heden-daagsche scholen, niet met de hedendaagsche men-schen, met het heele hedendaagsche leven eigenlijk niet. De menschen behoorden tevredener en vroolijker, maar natuurlijk ook minder zelfzuchtig te wezen!
Ze vroeg hem ook naar zijn huiselijke omstandigheden en hij antwoordde openhartig en onbevangen, dankbaar dat hij zich kon uitspreken zonder schroom, zonder vrees belachelijk te worden gemaakt of be