110
In dat gezin werd Ben aangewezen om de aanvankelijke studies van het vrijgevochten tweelingpaar leiding te geven. Mevrouw was allerliefst, had hem minzaam ontvangen, een dame van tegen de vijftig nu, blond en blozend, met een zonnigen, moederlijken glimlach onafgebroken om den fraai-gevormden mond, het haar langs de ooren, laag in den nek in een ongedwongen wrong, in een japon van eigen ontwerp, lila en goud en groen met kraaltjes en borduursel, om de mollige hals een wit-satijnen doekje, met een gouden broche van modern maaksel bevestigd —, zooals ze daar zat, leek het eenige, dat haar stoorde in haar glimlachende tevredenheid haar eigen onderkin, die ze door schichtige trekkingen van de hals en het hoofd voortdurend wilde verbergen —, waardoor ze er juist de aandacht op vestigde.
Ze bracht nu geen halfverdronken katten en verdwaalde kinderen meer in huis, bezocht niet langer de Heilsleger-samenkomsten, maar ze had nog altijd haar lievelings-poeëten, lievelings-acteurs en lieve-lings-bloemen, ze voelde voor Christian Science en had juist den laatsten tijd tengevolge van een geschrift van een Engelschen lievelingsprediker, een bijzondere belangstelling, met deernis gemengd, voor het Jodendom en voor Joden opgevat, De ontvangst, die Ben ten deel viel was daarvan het onmiddellijk gevolg en dus volkomen het tegendeel van die bij Baron van Herwerden —, Mevrouw Van Erp stak hem beide handen toe, vertelde hem in den loop van het gesprek