106
—, en verbeelden zich dan, dat zij dat in hun tijd wel allemaal wisten/’
Ben luisterde vaag —, hoe merkwaardig, dat hij al die jaren niet meer binnen in de school was geweest en nu vandaag toevallig wel —, hier had hij afzonderlijk gezeten, door de anderen geschuwd, om zijn favus-kap —, en nu liep hij als gelijke naast den meester, als zijn vriend of zijn gast, en de kinderen zagen nieuwsgierig, met iets van het ontzag voor den meester, naar hem op. Dadelijk zou hij naar zijn eigen school gaan —, waar hij nu weer de minste was, een Jood. Hoe vreemd was dat, schimmig, ongrijpbaar, niet iets dat hij van binnen-uit kon voelen als natuurlijk en noodzakelijk, maar iets dat van buiten-af op hem geworpen was, als een redeloos noodlot —, dat hij een Jood en daarom minder was, Het toevallige al was verbijsterend —, waarom juist hij een Jood —, alle anderen niet —, en hij alleen —, die zich in niets van die anderen onderscheidde?
Zonderling was het, dat hij nu, in de oude geuren van die halfduistere gang, terwijl de meester een jongen ondervroeg naar de reden van zijn gehavende kleeren en bebloed gezicht —, de wreede dwaasheid van dat nuchtere toeval in al zijn benauwenis scheen te beseffen. Toeval, dat hij een Jood was —, toeval dat hij hier was, toeval, dat hij een mensch was —, en dan te denken aan alles dat anders kon zijn —, hij elders, heel ver weg, en geen Jood, en zelfs geen mensch —, maar een dier, een boomtak —, kon hij het