104
dus maar blij zijn, dat ze tenminste nog in het vage vereeren, wat ze niet zijn en niet willen zijn/*
Maar Ben voelde zich niet overtuigd —, vol inner-1 ij ken onwil en ongeloof luisterde hij naar de woorden van verzoenend optimisme —, zijn woede zocht koeling, zijn smart leniging, zijn wrok voldoening in het verguizen, het haten, het bitter veroordeelen van allen die hem dit alles hadden aangedaan. Voor het eerst van zijn leven vreesde hij, dat meester Becker hem niet begreep en niet helpen kon.
Doch in den loop van den avond en in dien van volgende dagen vergat hij de bitterheid van dien eenen dag. Meester Becker had aan Baron van Herwerden geschreven en hem de geheele zaak uiteengezet, minder omdat hij er eenige uitkomst van verwachtte, dan om Ben genoegdoening te geven —, en als antwoord kreeg hij een briefje, waarvan de verlegen toon in zonderlinge tegenstelling was met dien, welken hij tegen Ben had aangeslagen. Blijkbaar voelde hij wel eenigen spijt, maar om de zaak van het les-geven zelf draaide hij heen.
„Alsof ik nog wil!” riep Ben, toen hij den brief gelezen had, rood van verontwaardiging.
„Hij is bang, dat je nog wèl mocht willen”, antwoordde meester Becker, „en Berthold zit er nu tusschen —, dat is heel duidelijk. De oude heer zelf is vrij onverschillig in die dingen —, maar dat jonge-mensch schijnt thuis zoo wat de lakens uit te deelen, en onder de jongelui van zijn slag is een tikje anti