101
trots? Je zoudt verbaasd staan, jongen, als je wist wat voor vernederingen diezelfde lui zich getroosten voor een invitatie, voor een introductie —, meer dan jij en ik misschien voor brood zouden doen."
„Maar dat is dan toch krankzinnig inconsequent!”
De oude man glimlachte om Ben’s heftigheid.
,,Ja, consequent zijn de menschen niet. Als je daarover begint, kom je in mijn schuitje te varen. Die jonge Van Herwerden, die een mond vol praats over een „verrader” zou hebben, beloont een verrader van zijn geloof met maatschappelijk voordeel. Zou je denken dat hij daar alleen in staat? Moeten we de kindertjes op school geen af keer tegen spionnen inprenten —, en gebruikt niet elk land spionnen —, en is dat niet altijd zoo geweest? Ze spuwen op Judas en ze rinkelen met de zilverlingen. Ze schrijven den eenen dag kranten vol pralerij over hun eigen onafhankelijkheid en den anderen dag over „noodzakelijk machtsvertoon” tegenover „rebellen” en „opstandelingen” in Indië. Wat kun je van het stumperige wezen, dat „Mensch” heet, eigenlijk niet verwachten?” Hij zweeg even, ze staarden beiden in gedachten voor zich uit. „Ik herinner mij, toen ik jong onderwijzer was, dat ik wel eens moeders van jongens bij mij kreeg over wie ik — over de jongens, meen ik natuurlijk — reden tot klagen had. Wat ik dan steevast moest hooren, was dit: „och meester, hij kan wel, maar hij wil niet.” Nooit kwam er een, die zei: „hij wil wel, maar hij kan niet.” Dat vond ik vreemd, daar