97
mevrouw, de mantel over de arm. Dat scheelde een heel stuk.
En onder de andere arm had ze nog wat: een knot rose wol.
Had ze lekker onderweg gekocht. Ze had toch maar stiekum afgekeken, hoe ze tegenwoordig die broekjes breiden. Nou ging ze dat hier op *t schip in verloren uurtjes nadoen: een broekje met sokjes er aan vast. 't Kon nog net op tijd klaar komen, — o, makkelijk! Jantje kon dan een mutsje haken. Daar was niet zooveel werk aan, want het kind had het toch eigenlijk druk met dat heen en weer geloop van 't schip naar mevrouw, van mevrouw naar ’t schip, en dan nog meestal hier de wasch, omdat zijzelf zoo'n last van rimmetiek had...
Een broekje... een rose broekje met sokjes... wat zou dat mevrouwtje kijken...
Toen Jantje's vader thuiskwam, waren er nog geen boterhammen klaar, maar tante zat op het dek haastig te breien, met twee tikkende pennen en een rose draadje...
* *
*
Nu was ook het schip al vol van de gedachte aan het kindje.
Toen Jantje op een dag alle luiers gewasschen had, — zonder blauwsel, precies zooals tante het
Aan wal* 7