95
elkaar, de mouwtjes breed uitgespreid, — de eigenwijze broekjes op elkaar, — de wollen hemdjes, — de luiers...
„Netjes," prees tante. „En waar is het dekentje?"
Het dekentje lag opgevouwen naast een stapeltje luiers. Het was klein en zacht, en erg snoezig.
„Veel te weinig," veroordeelde tante. „Wou u daar dat kind onder leggen als het daarzoo winter wordt? Het bevriest!"
Dat klonk zoo streng, dat mevrouw zich een ontaarde moeder ging voelen.
„Ik wist het niet," zei ze verlegen, „anders had ik wel een zwaardere deken gekocht. Ik zal er gauw een bij koopen."
Tante was heelemaal verteederd.
„Nou ja," verzachtte ze haar uitspraak van daarnet, „het heeft nog tijd genoeg, hè? Het is nog geen winter!" — en ze dacht aan haar mantel.
„En de luiers? Hoe vindt u die?"
„Best."
Ze wreef vakkundig de stof van de bovenste luier tusschen duim en wijsvinger.
„Degelijk goed. Maar ze moeten allemaal een keer gewasschen."
„Ja," ijverde mevrouw, „ze moeten goed helder uitzien. Ik heb al gedacht: met een beetje blauwsel in het water..."