90
kindertjes, en of tante nou maar zelf wou komen, dan kon mevrouw het zelf allemaal vragen.
Tante bloosde bij het heele verhaal tot in haar nek. Ze wou telkens wat zeggen, maar Jantje, tevreden over haar succes, ging verder alsof ze het niet merkte.
Toen het uit was:
„Je lijkt wel niet wijs, om te zeggen dat ik er verstand van heb!”
„Hèbt u er dan geen verstand van?”
„Ik... nou ja,” — ze glimlachte toch even een beetje gevleid, — „maar zoo iets zèg je toch niet!”
„Maar wilt u echt niet gaan?” vroeg Jantje, werkelijk wat angstig.
Tante wiegde zachtjes haar hoofd heen en weer.
„Niet gaan... niet gaan... dat wil ik niet zeggen... zoo iets mag je niet weigeren... maar ik zit d'r maar mee.”
,/t Valt heusch wel mee,” ijverde Jantje. „Mevrouw zei dat ik maar moest zeggen, dat ze u op zou eten.”
Zulke grapjes waren bij tante niet op de rechte plaats. Ze kon zich geen mevrouw voorstellen, die zulke malle dingen zei. Heelemaal: welke mevrouw zei nou tegen een kind van vijftien, dat ze ergens geen verstand van had. En welke mevrouw noemde een kind, dat Jantje heette, nou Janus... Ze had