89
Ze bedacht den heelen dag, hoe ze het zeggen moest, en wat voor gezicht tante zou zetten. Zou ze boos zijn, dat zij haar dat op de hals gehaald had? Boos niet, misschien een beetje vereerd ook wel, — maar benauwd, erg benauwd voor hoe dat allemaal gaan moest.
Ze begon maar direct, toen ze thuis was. „Tante, mevrouw vraagt, of u eens een keertje bij haar komt.”
En tante, dood-verschrikt:
„Kind! Wat is er! Je hebt toch niets gedaan?” Jantje lachte plezierig. Zoo kon ze tegenwoordig zoo vaak lachen, sinds ze bij deze mevrouw was.
„As je me nou néémt... Mevrouw heeft natuurlijk niks gezegd!”
„Jawel,” knikte Jantje, „u moet echt bij haar komen!”
„Waarvoor dan? Wat is d'r dan gebeurd?” Toen vertelde Jantje, gewichtig en breed, dat tante moest komen raad geven; raad geven. Want mevrouw wist er zelf nog zoo weinig van, hoe dat nu moest met wèl of niet wasschen van het baby-goedje, en hoe het gewasschen moest en zoo, — en mevrouw’s moeder woonde zoo ver, eer ze die geschreven had, was ze bij het antwoord alweer vergeten, wat ze had gevraagd, — afijn, toen had zij verteld van tante's vroegere diensten met kleine