86
poos bleef zitten praten over dat kindje. Er was zoo iets liefs en vertrouwelijks hier in de keuken gekomen, nu mevrouw haar verteld had, wat ze zelf al een heel poosje had gedacht. Net of het kindje nu al in de keuken was, om te lachen van haar naar mevrouw, van mevrouw naar haar. Haast zonde om een woord te spreken; zoo maar stil luisteren naar wat je zelf bedacht over dat kindje, dat was het heerlijkste van alles...
„Plons,” zei telkens een aardappel. Dat was het eenige, wat ze hoorde.
Maar opeens zei ze verschrikt:
„O, mevrouw, mag u van meneer wel op die koude steen zitten?”
Mevrouw moest zóó erg lachen, dat ze vanzelf van het aanrecht afgleed; niet uit gehoorzaamheid aan Jantje of aan meneer!
Maar Jantje had het heelemaal niet grappig bedoeld. Mevrouw kon wel kou vatten, of buikpijn krijgen op die manier!
„Ik bedoelde... om het kou-vatten,” lichtte ze toe.
„Ja, ja,” lachte mevrouw, „maar jij bent ook zoo streng!”
Om haar figuur te redden, lachte Jantje toen maar mee.
* *
*