HOOFDSTUK V
„Janus/' zei mevrouw, en heesch zich op het steenen aanrecht, waar ze met bungelende beenen bleef zitten, „Janus, ik moet je wat vertellen."
Jantje keek verrast op van haar aardappelen. Mevrouw zei dit zoo plechtig, zoo heel anders dan ze van haar gewend was, — dan was er zeker wat bizonders.
„Ja mevrouw?" vroeg ze, een beetje ongerust.
,/t Is wat heel prettigs, — ten minste, dat vind ik."
Jantje wachtte zwijgend af, met vragende wenkbrauwen.
„Kijk," — mevrouw wist niet zoo goed hoe ze het zeggen moest, „we krijgen over een poosje een kindje."
Jantje keek mevrouw met warme oogen aan.
„Ik wist het," fluisterde ze met een kleur.
„Hoe?"
„Ik... ik zag het."
„En..." — mevrouw legde de armen over haar