232
Ze had iets goeds gemaakt van haar werk.
O, en wat veel had ze er voor terug gekregen. Het gevoel van een thuis. Het gevoel van rust, dat ze altijd kreeg, als het schip gevaren had, en het lag stil. Als het touw uitgegooid was en vastgemaakt aan de wal.
Hier was ze aan wal. Hier lag ze stil en rustig, — hier was ze thuis. En ze had het zelf veroverd, dat ze hier aan wal was...
Ze hoorde een zacht geluid: het draaien van de deurknop. Haar oogen gingen lui open.
In het donker zag ze de deur langzaam opengaan.
Een stem zei:
„Slaap je al, Jantje?”
Mevrouw's stem.
„Nee, nog niet.”
Het licht knipte aan. Mevrouw stond voor Jantje's bed.
„Ik heb even gekeken, of de kinderen er goed onder liggen. Nu moet ik ook komen kijken, of jij er goed onder ligt/'
Mevrouw bukte zich, en streek haar over het voorhoofd.
„Wat zul je moe zijn, kind. Wat heb je het moeilijk gehad!”
„Niet zoo erg,” zei Jantje onduidelijk.