231
Het heele stelletje liep naar buiten. Alleen Jantje bleef schuldbewust achter.
„Niemand!”
„Jij?” fluisterde Rie, toen ze terugkwam.
Jantje knikte met een heftige kleur. Had ze het maar niet gedaan,
„Moeder, Jantje heeft het gedaan!” riep Rie.
„Jij?” vroeg mevrouw, en pakte haar beide handen. „Daar krijg je een zoen voor.”
En voor Jantje weg kon, de kamer uit, had mevrouw haar gezicht tusschen beide handen genomen, en haar een kus gegeven.
„En nog een, voor al wat je gedaan hebt, toen ik er niet was.”
Maar toen kroop Jantje tusschen Daan en Herman door naar de deur, en verdween...
's Avonds in bed, doodmoe en gelukkig, lag ze alles nog eens te overdenken.
Achter haar gesloten oogen brandde de slaap. Maar ’t was zonde om nu al in te slapen. Eerst alles weer zien, weer beleven van vandaag. Van vandaag en van den tijd die nu voorbij was.
Moeilijk was het geweest, en veel. Te veel soms.
Maar nu was alles goed. Nu was ze een deel geworden van het gezin hier.