230
gang in, en daar was meneer, en daar waren de kinderen, — en tusschen meneer en de kinderen was daar: mevrouw. De moeder. De moeder van de kinderen.
De moeder, met rondere wangen dan vroeger, en lichte, heldere oogen, niet meer moe. De moeder van de kinderen, — maar niet van Jantje. En toch was ze zoo vreeselijk blij, dat ze teruggekomen was.
Ze waren nu in de kamer. Mevrouw had Jantje zelf mee in de kamer geduwd.
Mevrouw zat weer in haar eigen stoel. Ze keek rond, — ze bleef maar rondkijken, onverzadigd, naar de kamer, naar de verrassingen, naar de kinderen, naar meneer, naar Jantje...
„Ik ben zoo blij,” zei ze telkens.
Ze wist niets anders te zeggen.
Ze rook aan de zeep, aan de viooltjes, aan de eau-de-cologne, aan de rozen.
„Het is om uw handen te wasschen na de reis,” verklaarde Herman.
En mevrouw stond op en ging naar de keuken, om haar handen te wasschen met de rose zeep.
Toen ze terugkwam door de gang, met schoone, ruikende handen, zag ze het papiertje pas. Jantje merkte het van de kamer uit. Ze kreeg er een kleur van.
„O, wie heeft dat Welkom daar voor me opgehangen?”