229
zij, en geen van de kinderen. O, mevrouw zou het vast niet erg vinden, dat er niets van haar bij was...
Toen ze alles klaar had, en de kinderen nog niet weer uit school waren, nam ze een stuk wit kastpapier, en schreef er met inkt-letters op: Welkom. De letters stonden niet al te recht naast elkaar, en bij de lus van de k kwam er een haar in de pen, zoodat de lus heelemaal dichtgroeide. Maar dat hinderde niet, — niets hinderde nu meer, want vanmiddag kwam mevrouw thuis, en er was bij alle verrassingen nu ook één van haar: Het papiertje met „Welkom”, met punaises boven de gangdeur vastgemaakt.
Toen de kinderen naar het station waren, — meneer was dadelijk uit school op reis gegaan, moeder tegemoet, — en Jantje moederziel-alleen in huis achterbleef, dacht ze een oogenblik, dat ze nu wel het beste zou doen met een deuntje te huilen.
Al de moeheid van deze volle, rare dag kwam nu op haar drukken. Al de moeheid eigenlijk van de lange, lange weken, dat mevrouw er niet was. Nu was het allemaal voorbij. Nu hoefde ze niet meer flink te zijn. Nu mocht ze kinderachtig zijn, en huilen zooveel ze wou...
Maar ze huilde niet.
En de sleutel draaide in ft slot, en ze liep de