228
lekker. Daar kan ze zich mee wasschen als ze van de trein komt. Wel leuk, hè?”
Natuurlijk was het leuk. En het pieterig-kleine fleschje eau-de-cologne, dat Daan meebracht, — z'n schatkist liet geen grooter formaat toe, — was ook leuk.
En toen Rie thuis kwam met een bos rozen, — toen kroop er toch een beetje vervelend gevoel in Jantje op.
„Ik heb heusch geen tijd om iets voor mevrouw te gaan koopen,” dacht ze, „en ik wou het toch zoo graag.”
Zou ze Rie vragen, of zij het voor haar wou doen? Maar dan was er eigenlijk niets aan.
Hoe zou dat straks zijn, als mevrouw thuiskwam, en van alle kinderen was er een verrassinkje voor haar, en van Jantje niets? Ze wou zich zoo graag net voelen, of ze ook één van de kinderen was.
Het maakte de blijde spanning van den dag een beetje donker.
Maar toen de kinderen weer naar school waren, en ze de boel afwaschte, gejaagd, om maar gauw met de gezelligheid te kunnen beginnen, — en ze de keuken vluchtig opgeknapt had, — en ze in de kamer kwam bij de viooltjes en de zeep en de eau-de-cologne en de pul met rozen, — toen wist ze: zij mocht maken, dat de kamer gezellig was, —