227
Ze schoot toch vlugger op dan andere dagen. Het moest. Ze moest vlugger opschieten, eerder klaar zijn, om het huis gezellig te kunnen maken. Hoe, dat wist ze nog niet. Ze had geen bloemen, ze had geen tijd om uit huis te gaan en bloemen te koopen. Eerst maar vanmorgen alles aan kant maken, en dan vanmiddag verder zien.
En toen de morgen om was, — de laatste eenzame morgen, — en alles aan kant was, een klein beetje met de Fransche slag aan kant, omdat het niet anders kon, — toen kwam Annetje uit school met een vuurroode kleur en een potje viooltjes in de hand.
„Die heb ik voor moeder gekocht,” bekende ze. „Zijn ze mooi?”
Jantje moest opeens denken aan haar eersten dag bij de vorige mevrouw. Toen was ze met een potje viooltjes thuisgekomen, — om het schip gezellig te maken. Vader had het toen wel erg goed begrepen, wat ze er mee wou.
„Viooltjes,” zei ze zacht. „Wat zal je moeder daar blij mee zijn!”
„Ja?” vroeg Annetje, altijd wat onzeker van zichzelf.
En Herman kwam thuis met een groot, rose, sterk-ruikend stuk zeep.
„Heb ik voor moeder gekocht. *t Ruikt zoo