224
mevrouw morgen voor hun neus, niet uitgerust natuurlijk, maar ze zou vast niet langer weg durven blijven.
Hè, stel je voor, — morgen mevrouw al terug. Het zou te heerlijk zijn. Morgen al die heele zorg van zich af schuiven, maar overlaten, alleen maar doen wat haar gezegd werd te doen, en niets zelf bedenken... Zoo was het vroeger toch geweest, vroeger, eeuwen geleden, toen mevrouw nog niet op reis was. Wat een goede tijd moest dat toch geweest zijn...
Wat moest ze nu schrijven, als ze de dingen, die ze het liefst geschreven had, in moest slikken? Niets van al wat moeilijk was?
En ze begreep opeens, dat er eigenlijk niemand in de wereld is dan jezelf, om je zaakjes uit te vechten, — ook je moeder niet. Want ze wist, dat Rie niet eens alles zou schrijven, wat naar en akelig was, omdat haar moeder dan geen rust meer zou hebben daar buiten. Uitvechten en er over heen komen, dat moest je zelf doen, daar kon niemand je bij helpen. Ze had het gevoel, alsof ze nu al bezig was er over heen te komen, — juist doordat ze merkte, dat ze het alleen moest opknappen.
Ze schreef:
„Hoe gaat het met u? Bent u al een beetje beter? Hier gaat het best. Rie en ik kunnen het