223
Mevrouw schreef:
„Waarom schrijft Jantje nooit eens wat? Laat ze me eens vertellen, hoe het gaat.”
Ze vond het heerlijk, dat mevrouw dat vroeg. Ze wist niet precies waarom. Misschien omdat het al zooveel zou helpen, als ze alles alleen maar vertelde.
Ze ging dien avond niet naar bed, toen het werk afgeloopen was. Ze ging zitten schrijven.
Alle slaperigheid van iederen avond trok weg, nu ze op haar penhouder zat te kluiven. Ze mocht toch alles, alles vertellen!
„Lieve mevrouw,” stond er al boven. Maar ze dacht: „moeder”. Want iemand, aan wie je alle moeilijkheden mag vertellen, daaraan denk je met het woord: moeder.
Ineens stonden ze allemaal weer duidelijk voor haar gedachten, de onoverkomelijkheden van de weken, die achter haar lagen. Wat moest ze het eerst vertellen? Dat ze zoo angstig werd eiken morgen, als Rie de deur uit was? Van Daan vertellen, dat die z'n moeder eigenlijk het meest noodig had? Van het aangebrande eten? Dat ze niet wist, of de groenteboer niet te veel rekende, nu mevrouw zelf hem niet hielp?
Maar toen lachte ze. Ze wist zelf wel, dat ze dit alles niet schrijven zou. Als ze dit schreef, stond