222
dat dichtviel achter Rie. lederen dag opnieuw. Ze wende er nooit aan.
En als het nog maar allemaal lukte! Maar er was een keer, dat het eten aangebrand was en bijna heelemaal overbleef, omdat ze er haast niets van hadden gegeten. Toen had ze bij de branderige resten wanhopig zitten huilen, en er was niemand geweest, die haar kwam troosten, omdat niemand wist hoeveel erger het is, aangebrand eten te koken dan op te eten.
En er was een keer, dat ze bij den groenteboer veel te veel genomen had, en dat merkte ze pas, toen het al gekookt was. Toen aten ze drie dagen achter elkaar hetzelfde, en den derden dag was het bedorven...
Toen was het, dat ze 's avonds aan Rie vroeg: „Schrijft je moeder al, wanneer ze terug komt?"
En Rie keek haar verwijtend aan, en zei:
„Dat moet je niet vragen. Dat vragen wij toch ook niet?"
En Jantje begreep, dat het voor Rie en Meneer en de kinderen minstens zoo moeilijk was als voor haar. En ze schaamde zich een beetje, want ze had net dien dag gedacht, dat zij het *t moeilijkst had van allemaal...
* *
*