HOOFDSTUK XIII
Als ze ’s avonds naar bed ging, te moe haast om de trap op te komen, dacht ze: „weer een dag verder, — weer een dag dichterbij, dat mevrouw thuis komt.”
’t Was meestal dadelijk na het afwasschen, dat ze naar bed ging. Hoogstens nog met Rie samen een knoop aannaaien of een gaatje stoppen voor de jongens en Annetje. Dat was gauw genoeg gebeurd met z’n tweeën, want de erg kapotte kousen werden in de wasch gedaan en naar de verstel-naaister gestuurd; dat had mevrouw zoo geregeld vóór ze wegging.
Slapen dat ze deed, — slapen! Ze had 'r teen om zoo te zeggen nog niet in bed, of ze sliep al. Ze herinnerde zich ’s morgens niet één keer het oogenblik, dat ze ingeslapen was. Wèl, dat ze eiken avond van plan was geweest, aan den dag te denken dien ze achter den rug had, en dat het geen één avond lukte.
’t Ging altijd zóó: ze lag, ze sliep, en dan ging