2l8
Jantje keek van meneer naar Rie. Ze zag opeens, hoeveel ze op elkaar leken: allebei zoo hulpeloos, omdat de moeder ziek was.
Toen dacht ze, met een schok:
„Ik moest er iets goeds van maken. Van mijn werk. Nu is het gekomen, dat ik er iets goeds van kan maken.”
En ze zei langzaam, en ze keek meneer niet aan en Rie niet, maar ze dacht dat ze meester Bos aankeek:
„Ja. — Ja, ik kan het wel.”