217
gezicht, en tusschen de vingers door drupten een paar tranen.
„Toe, Rie,” zei meneer.
Langzaam werkte het door in Jantje: mevrouw weg, — de moeder weg, — en wat moest er dan? En als de jongens en Annetje uit school kwamen, hoe moest dat dan? Die vroegen toch altijd dadelijk, of moeder er was?
En zij dan? En het werk in huis? Wie moest er koken? Hoe kon dat nou?
„Jantje,” hoorde ze uit de verte meneers stem tot zich komen, „nu wouen Rie en ik met je bepraten, of je het nu wel kunt, als mevrouw er niet is. Want we weten niet goed, hoe het anders moet.”
Rie keek op. Ze veegde met de rug van haar hand de oogen af. Ze keek Jantje aan met dezelfde vraag in de oogen als haar vader: kun je het?
Hoe wist ze nou, of ze het zou kunnen? Er was zoo veel, dat ze moest kunnen nu, meer dan ze op 't oogenblik zelf bedenken kon. Maar wat moest er anders gebeuren, dan dat ze het alleen deed? Mevrouw moest weg, — o, dat moeten, waar niets aan te doen was!
„Ik... ik weet niet,” haperde ze.
„Ik help je natuurlijk, zoodra ik uit school ben,” zei Rie eenvoudig. „Misschien is moeder al in een week of drie beter.”