2l6
oogen waren niet anders dan één vraag: „wat is er toch?”
„Moeder is naar bed,” zei Rie. „Ze is erg moe.”
Jantje wist dat wel, dat ze moe was. Ze had het zoo dikwijls gezien, en ook wel begrepen hoe ze zoo moe kwam: al die vragen, alles hier in huis dat om moeder riep, — al dat zorgen, — ze had dikwijls gedacht, hoe ze dat wel uithield.
Maar dat kon het toch niet zijn, waar meneer en Rie zoo bleek om zagen. Alleen omdat de moeder moe was?
„Wat is er dan?”
„Moeder was vandaag... erg duizelig. Dokter is geweest. Nu moet moeder een poosje hier uit huis weg, — om uit te rusten.”
„Vèr weg?”
Want het eerste, wat bij Jantje opkwam, was: hoe moet dat nou, als ik wat te vragen heb, — dan moet ik toch even naar haar toe kunnen gaan!
„Och, vèr... Moeder gaat naar tante Lize, die woont in een klein dorpje. Ze mag niet terug komen, voor ze heelemaal is uitgerust.”
Rie zei het met een vlakke stem, eentonig, als een lesje, dat ze telkens in zichzelf had opgezegd, om het goed uit het hoofd te weten en te begrijpen. Maar toen ze het gezegd had, begonnen opeens haar lippen te trillen. Ze deed de handen voor het