212
uit spelen met andere jongens; zoo'n heelen dag binnen in 't schip blijven, al was je groote zus dan op visite, dat was te veel. En tante bleef liever binnen, heusch, op 'r woord van eer.
't Weer was wat opgeklaard. Niet meer zoo nat tenminste. Ze liepen naast elkaar voort, langzaam. Ze vonden het allebei zoo heerlijk om geen woord tegen elkaar te hoeven zeggen.
Er kwam een heel stuk zonder schip. Ze hadden geen eigenlijke buren. En de eerstvolgende buren kende Jantje toch niet. Dan zoo'n drie schepen na elkaar. En bij dat derde schip was het, dat ze Bart ontmoetten.
„Dag Bart!" riep Jantje, zoodra ze hem herkende.
Bart keek schichtig op, tikte even tegen zijn pet, en bemoeide zich toen weer ijverig met z'n vrienden.
Rare jongen toch, om zich zoo te schamen tegenover andere jongens, dat ie een zusje had...
Achter Jantje en vader begon een levendig gesprek.
„Wie was dat?"
„M'n vader."
„Nee, die naast je vader liep."
„O," — met een nonchalant gebaar, — „dat? Dat is Jantje."
De jongens hoonden: