211
„Wat hèb je er aan!” herhaalde tante.
Toen stond Jantje op. Ze ging naast vader staan. Al zei vader dan niets, als ze naast hem stond, had ze toch het gevoel dat hij haar hielp.
„Ik heb er een heele boel aan. Als ik werk moet maken voor Rie, dan is het weer net of ik op school ben. Ik vond het op school altijd zoo prettig. Ik vind het ook wel prettig in betrekking, — maar vroeger was het anders... ik weet niet... kinderachtiger...”
Vader keek op. Daar stond ze nou, met al d'r zestien jaar en d'r betrekking-voor-dag-en-nacht,— maar met d'r vlecht op d'r rug, — en ze wou graag sommetjes maken omdat het kinderachtiger was...
„Laat *r nou maar,” knikte hij tegen tante, „ze doet er haar werk toch niet minder om?”
„Nee, dat zeg ik ook niet,” sputterde tante.
„Nou dan?”
„Och, — in mijn tijd...”
Ze dronk haar kopje leeg, waar maar één schepje suiker in was, en in Jantje's kopje waren er wel vijf.
Ze meende het toch wel goed met Jantje.
Al wat ze van plan was geweest te doen, kon ze nog net even doen voor ze weer terug moest. Een wandelingetje maken met vader, langs de andere schepen die er dicht bij lagen. Bart was toen