210
dat spaarde een stuk werk, hoor! Toch maar beter dan al die dunne vodjes van tegenwoordig.
„En ik moet 's avonds ook m'n sommen en m'n taalwerk maken,” vertelde Jantje, een klein beetje uitdagend.
Tante keek zuinigjes.
„Ja, dat heb je geschreven. Was dat nou wel noodig?”
„Noodig? Hoe bedoelt u?”
„Dat je daar je avonden gaat gebruiken om sommen te maken. Je kunt toch beter een steekje naaien! In mijn tijd viel zoo iets een meisje niet in.” Ze had gezegd. Dit had haar op het hart gelegen van het oogenblik af, dat Jantje het geschreven had. Toen had ze er niets over gezegd, maar nu moest het er maar eens uit.
„Ik naai ook wel eens,” zei Jantje, klein en onthutst.
„Nou, waarvoor dienen die sommen dan?” Jantje keek om naar vader. Die deed net, of hij er niets van had gehoord. Ze moest het zelf dus opknappen.
„Op school deed ik het ook zoo graag,” begon ze. „Je bent nu toch niet meer op school. Je bent nu in betrekking.”
„Maar als Rie het nu toch met plezier wil doen! En als ik m'n werk nou af heb!”