209
lachend en blij aan. Wat heerlijk, om je eigen menschen een poos niet te hebben gezien, en dan opeens, als een extraatje, weer terug te krijgen! Dit was nog heel iets anders, dan als je eiken avond geregeld thuis kwam. Dan was het lang zoo'n feest niet, want eiken dag kun je geen feest hebben.
Ze zeiden allemaal hetzelfde: „Wat zie je er best uit.” Tante nu ook weer. Alleen Bart, die plotseling opdook, vroeg: „Hoe gaat het met je?” Maar die dacht ook, dat dat moest.
En toen zat ze, vóór ze *t wist, in hun eigen kamertje, en in de keuken rook het naar koffie en naar een heeleboel heerlijke dingen meer, en de kopjes stonden op tafel, en Jantje's kopje was al bijna tot de helft met suiker gevuld...
Ze keek alle dingen aan. Nee, hier was niets veranderd. Wat een prettige zekerheid: een poos weg te kunnen blijven, en terug komen, en weten, dat alles hetzelfde blijft. En weer een poos wegblijven, en zeker weten, dat het niet één keer anders zal zijn geworden.
Nu moest ze vertellen. Hoe of ze 't daar had. Of ze 's avonds d'r goed wel heel kon houden, vroeg tante.
„Ja,” zei Jantje, „er is nog haast niets stuk geweest.”
Tante glom. Jantje had zulk degelijk goed, —
Aan wal* 14