207
woordje, maar voortdurend het gevoel dat vader naast haar was.
„Hoe wist u, dat ik nu hier zou zijn?”
„Je had toch geschreven! En er is maar één weg. Ik kon je niet misrijden.”
„Wat fijn, dat ik het niet wist!”
„Ja?”
Vader glunderde stil voor zich heen. Soms keek hij van opzij naar Jantje, hoe ze er uit zag, of ze wel in d'r schik leek. Ja, ze leek wel in d'r schik.
„Heb je het daar goed?”
„Nou, vader! Dat heb ik toch ook wel geschreven !”
„Och, van het lezen alleen weet je het nooit zoo goed.”
„O, vader, ze zijn allemaal zoo aardig voor me. Ik heb net een gevoel, dat ik er thuis ben.”
„Ja?” vroeg vader.
En Jantje dacht: dat had ik niet moeten zeggen. Tegen vader niet. Ze wou nog zeggen: „maar niet zoo thuis als op het schip,” maar ze bedacht nog net, dat dat het juist nog moeilijker maakte. Ze streek weer de regendruppels weg, stijf, omdat ze zoo’n kleur gekregen had.
„Je bent dikker geworden,” zei vader. „En grooter ook.”